maandag 25 oktober 2010

Kristina Svechinskaya: onweerstaanbaar gevaarlijk

Nadat nauwelijks een maand geleden tien Russische spionnen in de VS werden gearresteerd, is er opnieuw sprake van scandaleuze Oost-Europese infiltratie in de VS. Deze keer gaat het om een groep van twintig studenten uit ondermeer Rusland, Moldavië en Oekraïne die met cybercriminaliteit circa 50 miljoen euro zouden hebben buitgemaakt.
Onder deze jeugdige internetcriminelen geen scarfaces, duistere snorren, foute baardjes en lepe ogen. Niets van dat alles. Onder de studenten die zijn gearresteerd en voorgeleid aan de rechter bevindt zich onder andere de schone Kristina Svechinskaya. In geen enkel opzicht het beeld van een beroerde cybernerd of internetcrimineel.
De sexy Svechinskaya wordt in diverse media vergeleken met één van de uitgewezen Russische spionnen, Anna Chapman (agent 90-60-90), een andere Oost-Europese femme fatale. Chapman kreeg na haar arrestatie van het Amerikaanse Vivid Entertainment, de grootste Amerikaanse pornoproducent, een rol aangeboden (lees de berichtgeving op Knack.be). Chapman wees het aanbod af maar verscheen wel in de Russische versie van de glossy Maxim in zwarte ‘spionnen’-lingerie. Het beeld van de sexy spion blijkt grote marktwaarde te hebben.
De berichtgevingen over de infiltrerende Russische schonen doet mij aan de RAF-terroriste Gudrun Ensslin (1940-1977) denken. Achter haar schoonheid ging een macaber idealisme schuil. Schoonheid is de perfecte dekmantel voor kwade bedoelingen. De oude literaire traditie van de femme fatale is met de ontmaskering van Svechinskaya springlevend.

Kristina Svechinskaya uit Stavropol, internetcrimineel


Facebook profiel van Kristina Svechinskaya

Wanted-oproepvan de FBI voor de opsporing 
van de Oost-Europese cybercriminelen

zondag 17 oktober 2010

Vrouwenhandel in container

Op het Plein in Den Haag wordt in zeven zeecontainers het verhaal verteld van de Moldavische Elena die in de handen van mensenhandelaars terechtkomt en wordt overgeleverd aan een groezelig bestaan als prostituee. 

De installatie 'The Journey' knipt het leven van Elena op in fragmenten. De eerste container verbeeld een zorgeloos kinderbestaan tot aan de dood van Elena’s vader. De volgende container voert de bezoeker mee in een donkere kakofonie van slaande metalen deuren, gekrijs en andere angstwekkende geluiden. Deze symbolisering voor de overgang naar een onderdrukt bestaan als handelswaar voert de beschouwer naar een container die is ingericht als Elena’s peeskamer. De geur die er hangt is afgrijselijk en enorm treffend. Het is de geur van ongewassen lichamen, van wasemend beddengoed, een melange van mannenzweet. Gelaten verlaat je via een vliegengordijn van verknoopte condooms de peeskamer; achtervolgt door de onmenselijkheid die tastbaar werd. Het appèl van de Helen Bamber Foundation, initiatiefnemer van ‘The Journey’, is oorverdovend.


zondag 19 september 2010

Gronsky vs Plenzdorf (2)

Jerzy Plenzdorf, Kirov (2010)

Jerzy Plenzdorf, Tallinn (2008)

zondag 12 september 2010

Gronsky vs Plenzdorf

Jerzy Plenzdorf, Omgeving Cherepovets (2010)




Jerzy Plenzdorf, Rzjev (2009)
Jerzy Plenzdorf, Sint Petersburg (2009)

zondag 5 september 2010

De veelkleurigheid van het grote niets

Alexander Gronsky, hij maakte 'eentonigheid en verveling tot thema van zijn werk', aldus slavist en verlekkeraar van de Russische kunsten, Sjeng Scheijen.

Gronsky fotografeert de uniformiteit van de Russiche federatie, van Moskou tot Vladivostok; een uniformiteit die inherent is aan het communistisch systeem. Het uniforme ideaal, het uniforme bouwen, de uniforme vergankelijkheid als resultaat van het ‘Sovjetexperiment’, om met de woorden van Henk Kern (docent Geschiedenis en Ruslandkunde aan de Universiteit Leiden) te spreken. Gronsky’s materiaal toont de Russiche randstedelijke maatschappij, die zich in het werk van de FOAM-expositie scherp aftekent tegen de witte contouren van een besneeuwd landschap. De soberheid van zijn beelden roepen stilte en ontroering op; een perspectief dat verleidt tot rauwe zelfreflectie. De stilte van de buitenwijk enkel doorbroken door het keffen van een hond, een dronken schreeuw en het blikkerig geluid van een automatische autodeurvergrendeling. Het Russisch landschap vanuit het perspectief van de 21e eeuw.

Jerzy Plenzdorf fotografeerde vanuit Gronsky’s thematiek het hedendaagse Rusland. De komende weken publiceert Plenzdorf meer eigen foto’s in Gronsky’s geest. 

Het werk van Gronsky is tot 10 oktober 2010 te zien in FOAM Amsterdam.


Alexander Gronsky, Komsomolsk na Amur (2006)

Jerzy Plenzdorf, Pskov (2009)













   

woensdag 25 augustus 2010

Wansmaak aan de macht

   FOTO: NICK GLEIS PHOTOGRAPHY
Vanaf 2 oktober is tijdens de Brighton Photo Biennial 2010 werk te zien van fotograaf Nick Gleis. Gleis brengt de interieuren van privé-vliegtuigen van dictators van Afrikaanse landen in beeld. Vanwege contractuele voorwaarden waaraan Gleis zich heeft moeten committeren om de foto's te mogen maken, maakt hij niet openbaar welk vliegtuig bij welke leider/dictator hoort. Bekijk de gehele serie hier. Een tot de verbeelding sprekende collectie van met bloed omkranste rijkdom.

zondag 22 augustus 2010

Cyrillisch, alfabet van de bezetter

Tweetalig verkeersbord in Bosnië en Herzegovina - het cyrillisch schrift 
(gebruikt door de Serven) is weggewerkt met graffiti. Het onderbuikgevoel van een pijnlijk verleden.  





zondag 15 augustus 2010

De “geestelijke sterilisatie” van de Joden: het anti kosmopolitisme in Rusland

De oorsprong van de anti-Joodse sentimenten in Rusland voert ver terug en deze kunnen tot een laakbare traditie worden geoormerkt. Al in tsaristisch Rusland werden de vrijheden van de Joden ingeperkt en vonden verschillende pogroms (een Russisch woord) plaats om ten tijden van economische malaise de aandacht af te leiden. Ook de antirevolutionaire Zwarte Honderd beweging was aanstichter van diverse pogroms in reactie op de Eerste Russische revolutie van 1905. Uit de klassieke Russische literatuur komt duidelijk het diepe anti-Joodse sentiment naar voren van grote Russische schrijvers als Gogol, Dostojevski en Tsjechov. Deze auteurs schreven over wat zij zagen en aanvoelden in de Russische maatschappij waarin zij leefden.
Om de origine van het huidige antisemitisme in Rusland beter te begrijpen biedt de studie van Ben Amin (Moskou 1921 – Tel Aviv 2010) uit 1967, opgetekend in Tussen hamer en sikkel, een verhelderende kijk op de positie van de Joden in Rusland onder de Sovjetheerschappij.

Brandmerk
Ben Ami opent zijn relaas door erop te wijzen dat de Sovjet-burger niet bestaat. Iedere burger van de Unie stond geregistreerd als behorende tot een bepaalde nationaliteit. Opvallend is dat de Sovjets ook de Joden als een nationaliteit definieerden en dus werden Joden in hun persoonsbewijs geregistreerd als ‘evrei’ (Russich voor Jood). Dit zou later het brandmerk worden voor hen die tijdens de zuiveringen in de jaren dertig door Stalin zijn geslachtofferd en voor hen die in de verschillende decennia daarna onevenredig veel tegenwerking ontmoeten in hun dagelijks leven en carrière.
Na de bolsjewistische Oktoberrevolutie van 1917 verbeterde de positie van de Joden weliswaar blijkens de vele Joden onder de prominentste leden van de ondergrondse en verbannen Russische revolutionaire beweging.  In deze context mag echter niet worden vergeten dat met name binnen huidig Oekraïns territorium na 1917 (in de periode tot en met 1921) tussen de 70.000 en 250.000 Joden werden vermoord, onder andere door het antirevolutionaire Witte Leger.
Toen de Sovjets de macht grepen begonnen Joden sleutelposities in te nemen op velerlei overheidsniveau’s. Velen van deze Joden werden getroffen door de zuiveringen van de jaren dertig tijdens de Grote Terreur (onder aanvoering van Lenin’s opvolger, Stalin). Ben Ami schrijft: “Er is geen twijfel aan dat Stalin geen Joden om zich heen wenste te hebben die ‘te sluw’, ‘te schrander’, ‘te intellectueel’ en ‘te kosmopolitisch’ waren."

Van Holocaust naar Zjdanovisme
Tijdens de Tweede Wereld oorlog kreeg de Joodse cultuur een kort respijt. Stalin kon alle verkrijgbare hulp en steun van de volkeren van de Sovjet-Unie gebruiken; ook die van de Joden. Spoedig na de oorlog nam het tij echter al snel weer een negatieve wending voor de Joodse minderheid. De Sovjet-regering veroordeelde de Holocaust als wreedheden gericht tegen Sovjet-burgers en niet specifiek tegen Joden. Onder aanvoering van Zjdanov, een naaste medewerker van Stalin, werd vanaf 1946 de bestrijding van het kosmopolitisme ingezet (ook wel bekend als het zjdanovisme). Vele schrijvers, kunstenaars en politici die niet loyaal genoeg waren aan de partijdoctrine werd het werken onmogelijk gemaakt. Feitelijk was dit zjdanovisme sterk antisemitisch van aard, daar met kosmopolitisme veelal Joods intellectualisme werd bedoeld.

De Sovjet-overheid stelde de Joodse godsdienst in veel grotere mate aan vervolging bloot dan de andere godsdiensten. Uit talrijke atheïstische brochures uit die tijd concludeert Ben Ami dat het Jodendom door het Sovjet-regime als de moeder van de grote religies, christendom en islam, werd gezien. In de atheïstische strijd kan men daarom het meest effectief zijn door de bron , het Jodendom, te bestrijden.
Deze expliciete vorm van antisemitisme krijgt zijn slotakkoord met het doctorenplot van 1952, waarin Stalin merendeels Joodse doktoren beschuldigd van een complot om Sovjetleiders uit de weg te ruimen. Showprocessen, antisemitische propaganda, verbanning naar werkkampen en executies volgen. Door zijn dood in 1953 heeft Stalin zijn vermoedelijke grootschaligere plannen niet ten uitvoer kunnen brengen.

Kip met de gouden eieren
Na Stalins dood neemt het Sovjet-antisemitisme een minder expliciete vorm aan. Het Sovjet-regime staat geniale wetenschapsmensen, vooral natuurkundigen, een maximum aan vrijheid toe, en dit geldt ook voor Joods talent.
Ben Ami schrijft: “Het Sovjet-regime jaagt het Joodse volk niet weg en roeit het niet uit. Het wil de Joodse kip die de gouden eieren legt niet slachten, enkel geestelijk steriliseren. Het volstaat ermee die kip van de rest van het land te isoleren en haar onderwijl voldoende voedsel te geven om met het leggen van deze gouden eieren voort te gaan, en haar te beletten vruchtbare omgang met haar soortgenoten te hebben opdat ze geen eieren legt waar levende kuikens uit te voorschijn zouden kunnen kruipen.” De overheid blijft het veranderen van de nationaliteit voor Joden bemoeilijken. Ben Ami: “De overheid stelt zich op het standpunt dat de geïdentificeerde geïsoleerde Jood minder kans heeft anderen te infecteren en minder schadelijk en gevaarlijk is dan een Jood die zijn naam en nationaliteit verandert. Zulke Joden, zo vreest de overheid blijkbaar, zouden in hun hart Jood blijven en er zou geen administratieve mogelijkheid zijn om hen in het oog te houden.”
De positie van de Joden in de Sovjet-Unie is niet overal dezelfde. Ben Ami constateert: “De Georgische overheid, met inbegrip van het department van godsdienstzaken, toont een mildere en meer menselijke houding jegens de Joden dan in de andere nationale republieken het geval is. De oorzaak hiervan is dat de meeste Georgische bestuursorganen onder leiding staan van Georgiërs. Deze kleine, fiere natie is er met meer succes in geslaagd om de russificering te weerstaan dan andere naties van de Sovjet-Unie. Bij de overheidsorganen in Tiflis (het tegenwoordige Tblisi, JP) was vrijwel geen enkele Rus  die een sleutelpositie innam."

Birobidzjan: utopische autonomie
In 1934 besluit het Presidium van het Centrale Comité van de Sovjet-Unie het oostelijk district Birobidzjan tot een autonoom  Joods District te verklaren, een opzienbarende episode in de positie van de Joden in de voormalige Sovjet-Unie. Feitelijk betrof het een coïncidentie van het ontbreken van specifiek Joods gebied en de kolonisatieproblemen van de Sovjet-Unie in de grensgebieden van oostelijk Siberië en China. Desalniettemin werd dit gebaar van het Centraal Comité door de Joden wereldwijd gewaardeerd als een daad van grote politieke betekenis. Met de Stalin-terreur van  1936-1938 kreeg het jonge district echter een harde klap die het nooit meer te boven zou komen.

Het Birobidzjan-district: omsloten door de rivieren de Biro en de Bidzjan, 36.000 vierkante kilometers, in het zuidelijk deel van het Sovjet-Verre Oosten. De winters zijn koud, droog en lang. De zomers heet en vochtig. Door de bodemgesteldheid zijn er uitgestrekte moerassen.
Over Ben Ami’s bezoek aan de gelijknamige hoofdstad van het Birobidzjan-district in de jaren zestig : “Ik koesterde geen illusies ten aanzien van het Autonome Joodse District. Desondanks maakte zich een eigenaardig gevoel van mij meester toen ik uit de trein stapte en buiten boven het station het grote bord zag waarop in grote Hebreeuwse letters in het Jiddisch de naam BIROBIDZJAN stond. Een ogenblik was ik in de ban van die Hebreeuwse letters en ik had het gevoel dat ik op Joodse grond stond.” Maar al snel wordt Ben Ami’s vrees bevestigd…..het is een spookstad. Roofovervallen, onzekerheid en wanhoop hebben de bevolking verdreven. Alleen de naamborden zijn achtergebleven.
Hoewel het Autonome Joodse district in de jaren zestig weinig meer voorstelt merkt Ben Ami op dat het regime de beeldvorming van gelukkige autonome Joodse heilstaat graag aan het westen etaleert.
“Het Sovjet-regime is bij machte nog steeds een paar druppels propaganda uit de uitgeperste citroen van het mislukte Birobidzjan te knijpen, hoofdzakelijk ten behoeve van de buitenwereld. Men kan een paar kinderen fotograferen die rondom een van die Jiddische naamborden staan, en er dan iets onder zetten over ‘de gelukkige Joodse kindertjes in het autonome district’. De Joden hebben het goed in de Unie, ze hebben zelfs een eigen vaderland.”

Het antisemitisme werd tijdens de Sovjet-Unie verkocht als anti-kosmopolitisme en voedde verschillende generaties ‘Sovjet-burgers’ op met een argwanende houding ten aanzien van de ‘Joodse nationaliteit’. Het antisemitisme is daarmee na 69 jaar Sovjet-regime niet zomaar verbannen uit de Russische maatschappij.

Politiek activist en historicus Yakov Etinger verwoordt het in de Volkskrant in 2000 zo:
“Opiniepeilingen van de afgelopen jaren laten zien dat niet meer dan 5 à 8 procent van de Russen in het dagelijks leven antisemitische gevoelens koestert. Maar dat is nog altijd een aanzienlijk deel van de bevolking en het percentage is veel hoger in de grote steden in het Europese deel van het land, waar de meeste Joden wonen. Wat is de reden achter dergelijke gevoelens? Ik denk dat er, naast de traditie, twee factoren van invloed zijn.
Ten eerste hebben Joodse intellectuelen een duidelijke rol gespeeld in het beginstadium van de perestrojka en de markthervorming - processen die helaas voor het gros van de bevolking tot armoede hebben geleid.
De andere factor is zelfs nog belangrijker voor de alledaagse uitingen van antisemitisme: Joden zijn oververtegenwoordigd onder de oligarchen die in talloze kernsectoren van de economie en bij joint ventures en banken de dienst uit maken. De winst die zij maakten is vele malen hoger dan de inkomsten van de gewone Rus of Russin.”

Tussen hamer en sikkel. De positie van de Joden in Rusland. (1967) – Ben Ami (pseudoniem van Arie Lova Eliav, 1921 – 2010), Uitgeverij In den Toren, Baarn, 1968.


zondag 25 juli 2010

'Ze droegen pruiken van vrouwenhaar' - Bevrijdingsfront Charles Taylor (Liberia)

Monrovia 1990 (foto: AFP)

zondag 11 juli 2010

‘Een tussen varkensworsten en kalfsschenkels predikende Macchiavelli’

Dit Duitsland moet men van harte haten, wanneer men het werkelijk liefheeft.
Friedrich Percyval Reck-Malleczewen

Het is mei 1936 wanneer Friedrich Percyval Reck-Malleczewen zijn dagboekrelaas begint. Zijn verslag is dat van een wanhopig mens; wanhopig om de noodlottige wending die Duitsland in de jaren dertig ten deel valt. Wanhopig over de toekomst van een land dat zijn verstand heeft verloren. Wanhopig om het onafwendbare inferno waarin het Duitse volk zal moeten boeten voor zijn argeloze domheid.

Deeggezicht met rozijnen
Friedrich Percyval Reck-Malleczewen; arts en intellectueel, van gegoede burgerij en uit een politiek geëngageerde familie. Met ‘Dagboek van een wanhopig mens’ (Tagebuch eines Verzweifelte, 1947) geeft Reck-Malleczewen, zo zou blijken, zijn laatste staaltje maatschappijkritiek ten beste.
Zijn dagboek is vervuld van haat tegen het opkomende nazisme en in het bijzonder tegen de kopstukken van het vermaledijde Derde Rijk. Ongeremd en met een bescheiden decorum vertrouwt Reck-Malleczewen (kortweg Reck) zijn haat aan het papier toe. Over Hitler, die hij tweemaal ontmoette: ‘een rauwkostetende Dzjengis-Khan’, ‘een vrijwel uit afval gemaakt en diep verdorven persoonlijkheid’ en ‘een gelei-achtig, verslapt, grauw deeggezicht, waarin als rozijnen twee melancholieke gitzwarte ogen priemen’. En even verderop: “Gröfaz, dat is nu zijn spotnaam. Größter Feldherr aller Zeiten. Een armzalige hystericus (lees hier Goebbels of Streicher, JP) kan de wereld wel een poosje wijsmaken dat hij de grote Alexander is. Maar dan komt de geschiedenis en rukt hem het masker van het gezicht.”
Omdat hij zo dichtbij Hitler is geweest fantaseert hij over de mogelijkheid die hij heeft gehad om Hitler om zeep te helpen: ‘Ik zou het zonder twijfel hebben gedaan, als ik ook maar enige zekerheid had gehad over de toekomstige rol van deze onverlaat en over ons jarenlange lijden.’

Ook geeft Reck een smeuïg detail prijs waarvan de herkomst niet verifieerbaar is, maar toch, het komt hem goed van pas om Hitlers zelf aangemeten heroïek te bevechten:
‘Overigens gaat er een hardnekkig gerucht over het IJzeren Kruis dat hij draagt, een gerucht dat ik slechts vermeld zonder het me in absentia rei eigen te maken. Een met de praktijk van de toenmalige verlening van onderscheidingen vertrouwd officier maakte me er onlangs op attent, dat een onderscheiding met het IJ. K. eerste klasse zonder gelijktijdige bevordering tot onderofficier eenvoudig uitgesloten was geweest, en zo was hij, de zojuist genoemde zegsman, tot de slotsom gekomen dat het hier een ‘zelf-onderscheiding’ betreft.’

Weißen Niggers
Uit de zielenroerselen in het dagboek kan worden opgemaakt dat Reck zich al vroeg bewust was van een op handen zijnde antisemitische catastrofe. Anti-Joodse uitlatingen heeft hij voor zover bekend nooit gedaan.
Bij een vluchtig verstaander zal mogelijk de indruk ontstaan dat Reck in zijn dagboek racistische uitlatingen doet door herhaaldelijk te spreken van Weißen Niggers. Een racistische inborst ligt hier echter niet aan ten grondslag. Reck’s wereldbeeld is die van een ‘biologie van de witte negers’. Voor elitaire zonderlingen als Reck was de ‘witte neger’ de verachtende verschijningsvorm van de moderne mens, de gestandaardiseerde massamens die zelf een product is van serieproductie en fabricaten. Engeland en Noord-Amerika, de Angelsaksische wereld, is volgens Reck de belangrijkste kweekvijver van deze massamens. De ‘witte neger’ terminologie is in dit opzicht te linken aan de onderwerping van de zwarte mens tijdens het kolonialisme waarbij de onderworpenen volledig afhankelijk werden gemaakt van de machthebbers; een product van de ‘Westerse beschaving’. De diepere betekenis van ‘het witte neger’-wereldbeeld en de raciale connotatie die van het woord ‘neger’ uitgaat, maakt deze uitdrukking mijns inziens niet langer hanteerbaar. Daarmee wil ik niet tornen aan de observatie die Reck hiermee wil duiden; zijn wereldbeeld van de ‘witte neger’ is met de komst van het massaconsumentisme en de digitalisering actueler dan ooit tevoren.           

Politieke pornografie?
In zijn dagboek blijkt Reck profetisch over de op handen zijnde catastrofe. Hij voorziet dat zich een periode zal aandienen van dood en verderf die zijn weerga niet kent. Bovenal is Reck ontstelt over de oeverloze domheid van zijn landgenoten die heel Europa aan het noodlot overleveren. Zo schrijft hij:

‘Als de heer Göring vandaag een van zijn jachthonden met het nodige trompetgeschal tot koning van Beieren zou laten proclameren – ik geloof dat dit volk dat gisteren nog zo angstvallig voor zijn eigen aard en zijn contrast met de Noord-Duitse termietenhoop waakte, dat het hoera zou schreeuwen en de straathond zou huldigen.’

Malleczewen zocht de haard van het nazisme niet bij het proletariaat, maar bij het kleinburgerdom (de kleine ambtenarenstand, de onderwijzersklasse, de middelmatige klerkengroep). In een raak voorwoord van Klaus Harpprecht bij het postuum uitgegeven dagboek merkt Harpprecht terecht op dat “De National Zeitung zich geroepen zal voelen het trefwoord politieke pornografie te laten vallen bij Recks dagboek.” Zijn ongebreidelde geschimp maakt je murw en doet onrecht aan de  onderliggende emotionele analyse van een verbouwereerd en gefrustreerd mens dat zich schaamt voor zijn land en geraakt is door het onrecht dat zijn naasten wordt aangedaan.      

Van de Wittelsbacherplatz naar Dachau
13 oktober 1944 schrijft Reck: “En op de dertiende, een brandend hete, mooie oktoberdag, word ik zelf gearresteerd. Beschuldiging: opruiing van het leger.” Dit omdat Reck een zogenaamd oorlogsappèl van de Burgerwacht heeft verzuimd vanwege een aanval van angina pectoris. Hij wordt snel weer vrijgelaten. Eind december wordt Reck opnieuw door de Gestapo ingerekend op basis van een zogenaamde denunziation, een op politieke gronden verordonneerde oproep tot verklikking van collaborateurs. Reck werd aangegeven op basis van een denunziation die ‘schennis van de Duitse munt’ strafbaar stelde. Reck zou denigrerend hebben opgemerkt dat de Reichsmark zo goed als waardeloos is.
Van de Gestapogevangenis aan de Wittelsbacherplatz in München wordt Reck na een bombardement in januari ’45 overgebracht naar concentratiekamp Dachau. Al snel wordt Reck ziek en wordt hij in de ziekenbarak ondergebracht. In het kamp ontmoet Reck de Nederlandse gevangene Nico Rost die in zijn boek ‘Goethe in Dachau’ onder andere verslag doet van zijn ontmoeting met Reck. Volgens Rost was vlektyfus Reck’s doodsoorzaak. Inmiddels wordt aangenomen dat hij is geëxecuteerd.     

De vertaling van Dolf Koning eindigt met een halve lege bladzijde. Het verslaglegging stopt abrupt en de lezer rest niet anders dan de achterblijvende leegte van een wanhopig mens.

Dagboek van een wanhopig mens - Friedrich Percyval Reck-Malleczewen – Uitgeverij In den Toren (vertaling Dolf Koning)